Mythes over gehechtheid


Er bestaan hardnekkige mythes over gehechtheid. Soms hoor je dat kinderen in schrijnende opvoedingsomstandigheden zich niet kunnen hechten. Maar… kinderen hechten zich ook aan mishandelende of verwaarlozende ouders, al is dat vaak op een onveilige manier. ‘Niet-gehecht’ komt zelden voor en dan vrijwel alleen bij extreem verwaarlozende tehuisopvoeding.

Babygehuil De baby die afgelopen februari in een ondergrondse container in Amsterdam werd gevonden, dankt haar leven aan gehechtheidsgedrag. Iemand dacht gehuil in de afvalcontainer te horen en waarschuwde de politie. Het huilen kwam van een pasgeboren meisje van een paar dagen oud. Kinderen komen ter wereld met gedrag dat de verzorging van volwassenen uitlokt, bijvoorbeeld huilen en lachen. Volwassenen reageren op de verbale en non-verbale ‘taal’ van het kind met verzorgend gedrag. Als een verzorger steeds ingaat op wat het kind nodig heeft, krijgt het kind vertrouwen in die volwassene en zo ontstaat er een (veilige) gehechtheidsrelatie (1).

Inzichten en misverstanden Gehechtheid is de laatste decennia vaak onderzocht in wetenschappelijke studies. Ook speelt gehechtheid meer en meer een rol in de praktijk van hulpverleners, pleegzorgwerkers en kinderrechters. In 2010 schreef ik een veelgeciteerde notitie (1) over de rol van gehechtheid bij het nemen van beslissingen over kinderen in problematische opvoedingssituaties. Nu is er een belangrijk internationaal artikel over hetzelfde onderwerp. Onder de titel ‘Attachment goes to court: child protection and custody issues’ (2) publiceerden zeventig wetenschappers uit meer dan twintig landen een gezamenlijk artikel over de betekenis van gehechtheid bij kinderbeschermingszaken en omgangsregelingen. Wat zijn de nieuwste inzichten en zijn er ook misverstanden over gehechtheid?

Veilige haven Veilig gehechte kinderen vertrouwen erop dat ze in angstige of moeilijke situaties worden geholpen door hun opvoeder. De opvoeder is sensitief, dat wil zeggen dat hij goed ingaat op de vragen en behoeften van het kind. Kinderen ervaren de opvoeder dan als een veilige haven (3) (4). Bij een onveilige gehechtheidsrelatie reageert de opvoeder bijvoorbeeld afwijzend op het kind en is daardoor minder beschikbaar als veilige haven. Veilige gehechtheid Recent onderzoek laat zien dat veilige gehechtheid samengaat met betere sociale vaardigheden en minder probleemgedrag. Dit toont aan dat veilige gehechtheid een belangrijke beschermende factor is voor de kinderlijke ontwikkeling. Tegelijkertijd kunnen we niet alleen op grond van gehechtheid de kinderlijke ontwikkeling voorspellen. Dit betekent dat het belang van veilige gehechtheid zeker erkend, maar niet overdreven moet worden bij beslissingen over kinderen. Om het door te trekken naar de praktijk: als je alle onveilig gehechte kinderen uit huis zou plaatsen, zou meer dan een derde van alle kinderen bij hun ouders weggehaald moeten worden. Onveilige gehechtheid Ook over onveilige gehechtheid bestaan misverstanden. Een onveilige gehechtheidsrelatie is geen psychische ziekte. Een onveilige gehechtheid is een manier om met de verminderde beschikbaarheid van de opvoeder om te gaan. Als een kind bijvoorbeeld vaak geen goed antwoord krijgt op vragen, zal hij zijn emoties onder de pet gaan houden en minder vaak een beroep doen op die ouder. Hopelijk zijn er dan alternatieve bronnen van steun, bijvoorbeeld bij familie of opvang. Een onveilige gehechtheidsrelatie is niet hetzelfde als een gehechtheidsstoornis (zie kader).

Gehechtheidsstoornis De term ‘gehechtheidsstoornis’ wordt helaas te pas en te onpas gebruikt. Ik hoor pleegkinderen tegen elkaar zeggen dat ze een ‘hechtingsstoornis’ hebben en het staat vaak ongefundeerd vermeld in rapportages en observaties van (pleeg)ouders en hulpverleners. Een gehechtheidsstoornis is iets anders dan onveilige gehechtheid. De term ‘gehechtheidsstoornis’ komt uit DSM-5 en gaat over twee specifieke en zeldzame psychiatrische aandoeningen, die vooral bij kinderen met een kindertehuisverleden voorkomen. Bij een reactieve hechtingsstoornis (Reactive Attachment Disorder) zoeken kinderen met een aantoonbaar verwaarlozingsverleden geen troost of steun bij een verzorger in moeilijke situaties. Bij een ontremd-sociaalcontactstoornis (Disinhibited Social Engagement Disorder) zijn kinderen na zo’n verleden abnormaal overvriendelijk naar onbekenden.
Niet alleen wordt overschat hoe vaak een gehechtheidsstoornis voorkomt, ook wordt juist onderschat of zo’n stoornis behandelbaar is. Vroeger plaatste men kinderen met een gehechtheidsstoornis in een residentiële instelling, omdat een pleeggezin ‘teveel nabijheid’ zou bieden. We weten nu dat de symptomen juist verdwijnen als deze kinderen in een stabiele gezinsomgeving terecht komen.

Omgangsregeling Vroeger ging men uit van één ‘primaire’ opvoeder, meestal de moeder die thuis bleef en de meeste tijd met het kind doorbracht. Dat had in de praktijk als gevolg dat bij scheidingen de relatie tussen vader en kind weinig prioriteit kreeg. Omgangsregelingen waren vaak in het nadeel van vaders. Het is echter niet zo dat de gehechtheidsrelatie van de ene ouder ten koste gaat van die met de andere. Kinderen zijn juist vaak beter af met meerdere gehechtheidsrelaties. Kinderen kunnen met meerdere ouderfiguren een gehechtheidsrelatie opbouwen en behouden: met (gescheiden) ouders, grootouders en ook met adoptie- of pleegouders. De auteurs van het internationale artikel komen met drie principes, die een leidraad moeten zijn in kinderbeschermingszaken en omgangsregelingen. Regelmatige omgang met bekende opvoeders Het eerste principe is dat voor het opbouwen en behouden van gehechtheidsrelaties regelmatige omgang met bekende opvoeders nodig is. Als een kind slechts beperkt contact heeft met een ouderfiguur, is het moeilijk voor een kind om die ouder als veilige haven te blijven ervaren. Een (meer) gelijke verdeling van tijd in een omgangsregeling zou daarom altijd het uitgangspunt moeten zijn. Zoveel mogelijk continuïteit in de opvoeding Het tweede principe is het belang van zoveel mogelijk continuïteit in de opvoeding. Bij de afweging om een kind uit huis te plaatsen, is het belangrijk om zowel naar de huidige situatie te kijken als naar de mogelijke negatieve gevolgen op termijn. Een uithuisplaatsing wordt vaak gevolgd door (meerdere) overplaatsingen en dat betekent een risico voor de ontwikkeling van het kind. Soms kan de balans dan beter doorslaan naar niet uit huis plaatsen en het kind laten opgroeien in een gezin met niet optimaal maar wel goed-genoeg-opvoederschap (zie kader). We weten intussen dat bijna alle gezinsopvoeding, waarbij geen sprake is van mishandeling of verwaarlozing, beter is dan welke tehuisopvoeding dan ook (5). Ook zijn er wetenschappelijk bewezen interventies beschikbaar om ouders te ondersteunen bij een sensitievere opvoeding. Daarnaast kunnen bijvoorbeeld weekendpleegouders opvang bieden. Netwerk van gehechtheidsrelaties Het derde principe is dat een netwerk van gehechtheidsrelaties van grote betekenis is. Een kind is meestal gehecht aan een handvol vaste opvoeders en verzorgers, zoals ouders en grootouders, maar ook stief-, pleeg- of adoptieouders. Ook bij echtscheiding, over- of terugplaatsing moeten kinderen erop kunnen rekenen dat ze het contact met bekende gehechtheidsfiguren behouden.

Goed-genoeg-opvoederschap In artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag (6) is vastgelegd dat de belangen van het kind de eerste overweging zijn bij alle beslissingen over kinderen. Dit principe, in het Engels ‘best interests of the child’, is echter breed en algemeen geformuleerd. In de praktijk leidt dit nogal eens tot de opvatting dat de opvoeding en kinderlijke ontwikkeling optimaal zouden moeten zijn. Toegepast op gehechtheid, is een veilige gehechtheidsrelatie in het ‘beste belang’ van het kind. Maar een kind uit huis plaatsen alleen omdat het een onveilige gehechtheidsrelatie met zijn ouder(s) heeft? Zo’n ingrijpende scheiding zou juist indruisen tegen het belang van het kind. Het begrip ‘good-enough care’ (7) is geschikter als maatstaf om opvoedingskwaliteit te beoordelen. Goed-genoeg-opvoederschap (8) is misschien niet optimaal, maar wel voldoende om in de basisbehoeften van het kind te voorzien.

Door Femmie Juffer, redactielid van BIJ ONS en emeritus hoogleraar adoptie en pleegzorg. Foto: Femmie Juffer De tekst is gebaseerd op een artikel in de Pedagoog (2021).

Voetnoten 1. Femmie Juffer (2010). Beslissingen over kinderen in problematische opvoedingssituaties. Inzichten uit gehechtheidsonderzoek. Raad voor de Rechtspraak. 2. Tommie Forslund et al. (2021). Attachment goes to court: child protection and custody issues. Attachment & Human Development. 3. Paula Sterkenburg, Beanka Meddeler-Polman & Jos Schrijver (2020). Gehechtheid in de praktijk. Bartiméus. Lees hier de recensie. 4. Zie op pleegzorg.nl de artikelen over gehechtheid en gehechtheidsstoornissen. 5. Rien van IJzendoorn & Marian Bakermans-Kranenburg (2021). Structurele verwaarlozing in kindertehuizen. BIJ ONS, pagina 7. 6. Kinderrechtenverdrag, Verdrag inzake de rechten van het kind. 7. Rien van IJzendoorn, Marian Bakermans-Kranenburg et al. (2019). Legislation in search of “good-enough” care arrangements for the child: A quest for continuity of care. In J.G. Dwyer (Ed.), The Oxford handbook of children and the law. Oxford University Press. 8. Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming: goed genoeg opvoederschap.

Boekrecensie: Gehechtheid in de praktijk
Paula Sterkenburg, Beanka Meddeler-Polman en Jos Schrijver
Gehechtheid in de praktijk is bedoeld om ouders en werkers in de gehandicaptenzorg te ondersteunen, maar het is ook uitstekend geschikt voor een bredere doelgroep. Pleegzorgwerkers en pleegouders kunnen het werkboek gebruiken bij de begeleiding en opvoeding van pleegkinderen met gehechtheidsproblemen. Lees hier onze recensie:

Herstel begint bij de wortels