Pleeggrootouderschap en loyaliteit

Schipperen tussen gevoel en verstand

Kinderen die niet thuis kunnen opgroeien worden steeds vaker in een netwerkpleeggezin geplaatst. Een groot deel hiervan komt bij opa en oma terecht. Het grote voordeel voor het kleinkind is, dat het in een vertrouwde omgeving opgroeit. Voor de pleeggrootouders is het soms moeilijk om hun positie te bepalen tussen de biologische ouders en hun kleinkind. Meer professionele aandacht hiervoor zou zeker op zijn plaats zijn.

Ongeveer 47 procent van alle pleegzorgplaatsingen is een netwerkplaatsing en hiervan is 70 procent bij pleeggrootouders. Meer dan 3000 kleinkinderen groeien bij opa en oma op met een geregistreerd pleegcontract. Daarnaast is er een onbekend aantal kleinkinderen die zonder pleegcontract bij hun grootouders wonen. Verschil in voorbereiding Een wezenlijk verschil tussen bestandspleegzorg en netwerkpleegzorg is de voorbereiding. Bestandspleegouders maken van tevoren een bewuste keuze om pleeggezin te worden. Grootouders zien de bui vaak al hangen, omdat het niet goed gaat met de ouder(s) van hun kleinkind, maar kiezen niet bewust vooraf voor pleegzorg. Het in huis nemen van een kleinkind is meestal een laatste redmiddel. Vaak is dit voor het kleinkind de beste oplossing. Opa en oma zijn bekend en vertrouwd, waardoor het kind zich veilig voelt. Voordat grootouders de status van pleeggrootouders hebben, worden ze gescreend door de pleegzorginstelling. Daarna volgen ze een training waarin ze informatie over pleegzorg krijgen en over de ontwikkeling en het gedrag van kinderen. Pleeggrootouders krijgen een financiële vergoeding en ondersteuning van een pleegzorgwerker die ongeveer één keer in de zes weken op bezoek komt. Als opa en oma ook het gezag hebben, is de frequentie lager, zo’n twee keer per jaar. Maar het is altijd mogelijk om meer pleegzorgbegeleiding te vragen. Weer een kind in huis Pleeggrootouders hadden een andere voorstelling van hun leven nadat de kinderen de deur uit waren. Zeker met het pensioen in aantocht lag de wereld voor hen open. Een kleinkind in huis betekent niet alleen een grote hap uit hun vrije tijd, maar vooral een stap terug in hun leefwijze. Ze beginnen weer helemaal opnieuw. Ze richten een kinderkamer in, gaan naar zwemles en staan langs de lijn bij sportwedstrijden. “Je krijgt er wel veel voor terug”, zeggen pleeggrootouders. “Als je dat blije snuitje ziet, weet je waar je het voor doet.”

Emotionele spanning Waar pleeggrootouders moeilijker mee overweg kunnen, is de emotionele spanning die deze opvoedsituatie met zich meebrengt. Beter gezegd: de loyaliteitsfactor. Een van de ouders van hun kleinkind is hun kind. Die ouder blijkt niet in staat om het kind op te voeden. Dat is al genoeg om je hoofd over te breken. “Wat heb ik fout gedaan in de opvoeding?” Vaak zijn er nog andere volwassen kinderen en is de relatie met hun problematische broer of zus slecht. Of ze hebben nog andere kleinkinderen, voor wie ze gewoon opa en oma zijn. Het pleegkleinkind moet worden opgevoed, dat vergt een andere rol. Stel dat dit ze allemaal goed afgaat. Ze zijn fit genoeg voor speelafspraken, sportwedstrijden en vakanties met het kind. Ze kunnen aardig overweg met hun dubbele rol. Ze kunnen het kind goed begeleiden en geven het de broodnodige rust en regelmaat. Toch knelt er nog iets. Veel vragen Hoe gaan pleeggrootouders om met de vijandigheid van de biologische ouder, hun bloedeigen kind? “Je hebt mijn kind afgepakt.” Wat doen ze met het loyaliteitsprobleem van hun pleegkleinkind en met die eeuwige frustratie dat de situatie onnatuurlijk is? Ze gunnen hun problematische kind toch het ouderschap. Ze willen hun kind niet aan de kant zetten, hoe moeilijk het ook is. Ze willen ervoor zorgen dat ouder en kind niet van elkaar vervreemden. Wat doet de emotionele spanning met het kind? Mama is bijvoorbeeld heel vijandig naar oma, maar het kind vindt oma lief. Het kind vindt mama ook lief. Het kind zit in een soort vechtscheiding. Wat zijn de gevolgen op de lange duur? Als het pleegkleinkind puber is geworden, draaien de rollen soms weer om en trekt het kind meer naar de ouder. Soms wil het weer bij de ouder wonen. Wat doet dat met de grootouders die zich al die jaren hebben ingespannen voor het kind?

Webinar: Pleeggrootouder ben je niet alleen!

Op het pleegzorgplatform staat een online webinar voor pleeggrootouders. Het webinar gaat in op drie thema’s die voor pleeggrootouders van belang zijn: het gedrag van hun kleinkind, de verschillende petten die pleeggrootouders dragen en het krijgen van hulp en ondersteuning.

Lotgenoten Op de jaarlijkse bijeenkomst van Stichting Belangenbehartiging Pleeggrootouders Nederland (SBPN) komen deze vragen en verhalen naar boven. Het lotgenotencontact biedt geen oplossing, maar wel soelaas. Pleeggrootouders gaan lichter weg dan ze binnenkomen. “Ik ben niet de enige”, verzuchten ze na afloop. “Sommigen hebben het nog veel zwaarder.” Elke pleeggrootouder herkent dit. Het is voortdurend schipperen tussen gevoel en verstand. Sommige pleeggrootouders gaan eraan onderdoor en moeten het pleegouderschap vroegtijdig opgeven. Dat is nadelig voor alle partijen, maar vooral voor het kind. Het is de vraag in hoeverre pleeggrootouders goed worden voorbereid en begeleid. Pleeggrootouders kunnen altijd bij een pleegzorgwerker terecht. Die pleegzorgwerker heeft een luisterend oor, denkt mee over stappen en oplossingen en geeft goede raad. Soms is de problematiek echter zo ingewikkeld dat specialistische hulp nodig is. Daarvoor is een afspraak met een psycholoog een optie of met een groepje lotgenoten. Pleegzorgorganisaties organiseren ook bijeenkomsten waarin loyaliteit en gedragsproblematiek aan de orde komen. Soms krijgen ze een buddy met wie ze van gedachten kunnen wisselen en problemen kunnen delen. Maar is dit allemaal genoeg? Samenwerking In ‘Opgroeien in twee families’ (1) hebben Yvonne Aarts, Gé Haans en Marieke Klein Entink onderzoek gedaan naar samenwerking tussen pleegouders en biologische ouders. Deze samenwerking is een voorwaarde voor een veilige en succesvolle pleegzorgplaatsing. Laat de biologische ouders in hun waarde, betrek ze zoveel mogelijk bij de opvoeding van hun kind. Neem gezamenlijk belangrijke beslissingen en laat het kind ervaren dat zijn ouders deel uitmaken van zijn leven en altijd op de eerste plaats zullen blijven. Gelijkwaardigheid en erkenning van de rollen en posities van alle betrokkenen spelen hierin een cruciale rol. Als dat te realiseren valt, is dat gunstig voor alle partijen en komt een breakdown (voortijdig afgebroken plaatsing) nog nauwelijks voor. Om dit te bewerkstelligen is begeleiding nodig. De deskundigheid van een pleegzorgwerker die mede de samenwerking tot stand brengt en faciliteert, is van groot belang. Meerzijdige partijdigheid is een term die in dit kader meerdere keren voorkomt. Meer professionele aandacht Ook in deze interessante studie blijft de positie van pleeggrootouders onderbelicht. De emotionele band tussen de grootouders en de ouder van het kind blijft onbesproken. Dit is waar pleeggrootouders voor vechten en onder lijden. De bloedband maakt dat ze onvoorwaardelijk kiezen voor hun eigen kind, maar ze kunnen dat niet doen vanwege een ontoereikendheid van datzelfde kind in het ouderschap. Dus stellen pleeggrootouders de veiligheid en afhankelijkheid van het jonge kleinkind boven de existentiële loyaliteit met hun eigen kind. Dat is rationeel goed te verdedigen, maar emotioneel veel moeilijker. Bij een toenemend aantal plaatsingen van kleinkinderen bij grootouders verdient dit aspect meer professionele aandacht.

Door Lia Brouwer, redactielid BIJ ONS, pleeggrootouder en pedagoog

Met medewerking van Horizon Jeugdzorg

Meer weten over pleeggrootouders? Stichting Belangenbehartiging Pleeggrootouders Nederland ondersteunt pleeggrootouders in de zorg voor hun kleinkinderen.

Voetnoten

1. Yvonne Aartsen, Gé Haans, Marieke Klein Essenk, Opgroeien in twee families. SWP, 2021.

De positie van pleegouders en gezinshuisouders